Verhalenclub: Licht

02 feb Verhalenclub: Licht

Kijk! Want er is licht.

Hij bestaat niet meer, De IJmuiden 96, Vissersschip, coaster gemaakt voor de vangst van platvis. Met zijn zware beun slaat hij de tong en schol uit hun schuilplaats in het slib, de opgejaagde, opgesprongen beestjes worden verstrikt in het net en 2á3 uur later opgehezen naar het dek, alwaar ruige mannen in oliepakken, met scherpe messen de kost verdienen door de vis van ingewanden te ontdoen. Om ze daarna te sorteren naar soort en grote.

Dit verhaal speelt in de tijd voordat er ondermaatse vis bestond, het kleine grut werd ongemeten en ongezien als afval overboord gekieperd, we leefden in een tijd van onbezorgde overvloed.
We schrijven de zomer van het jaar dat ik 13 wordt, Ik mag – eindelijk – mee met een weekreis op het schip van Ome Piet Dekker, man van de zus van mijn vader. Een man die in het weekeinde “op land” teveel drinkt en de andere dagen en nachten 4uur op en 4uur af, aan het werk is op zee. Hij is naast geroutineerd vissendoder ook kok op de IJmuiden 96.
Ik ga mee als hulpje van de jongste scheepsknecht, leer in een rap tempo schol en tong strippen en wordt ingezet bij het – na de haal –  schoonboenen van het dek. Fantastisch, ik hoor erbij, ik weet mijn plek. Als ik in de kombuis een seksboekje te pakken krijg en van verwondering mezelf rooie oortjes lees, wordt dit boekje mij met een vriendelijke tik tegen mijn hoofd afgepakt. De mannen waarderen mijn initiatief, de grenzen zijn helder.

De meeste tijd lig ik op de voorplecht te kijken naar de zee, de lucht. Ik dein met het schip, wat er achter me gebeurd is overzichtelijk, voelt veilig. Het is nacht, oom Piet is aan het roer. We vissen niet, maar zijn aan het verstekken, op weg naar een andere visgrond. Ik mag op de plecht liggen, hoor geluid van zee om schip en voel gebrom van motor, binnen de kreunen van het staal.

Dan….. stopt alles, de motor valt stil, de lichten gaan uit. De eerste schrik is groot, de stem van Piet een anker door de megafoon fluistert mijn oom: “kijken, Koos, kijken”.
Ik kijk me te barste, midden op de Noordzee, midden in de nacht, wolken bedekken sterren en maan. Het is zo donker dat de golven licht geven. Ik ben totaal opgenomen in het zijn. “Licht op 10”  fluistert de megafoon. Ik draai mijn hoofd iets naar links (mijn slechte oog) en zie nog net, ver over de horizon, opspetterende bliksemflitsen. Ik verwonder me, licht zonder donder, zo heb ik het niet geleerd op school.  Later boven in de stuurhut leer ik “geloof nu maar je ome Piet, dat je weet dat telt niet, vertrouw op wat je hoort en ziet”

Veel later, ik ben volwassen, ren ik in het donker over het strand. (Ik heb geen tijd om overdag aan mijn conditie te werken vandaar). Ik ren naar het noorden, links het gekabbel van de golven, rechts de silhouetten van duinen en het geruis van gras. Achter me mijn ademhaling en ritme van mijn hart, van boven af en toe een druppel en voor me… het donkere niks.

Dan Flits, Donder, NU. Licht schiet vanuit de hemel, slaat plat op het strand en golft terug van de duinen het donker in. Ouderlijke waarschuwingen vermengt zich met kinderlijke paniek. Onweer op het strand, vluchten of bevriezen. Ik val plat op mijn buik, spreidt armen en benen en kan alleen maar kijken naar het verlichten van de zee. Na de uitbarsting van de flits blijft het licht nog even hangen in het wit van de golven. En dan weer stikdonker. Er is alleen maar licht en donker de geur van zand en het geruststellende geluid van ademhaling, mijn ademhaling. Hij bestaat niet meer de IJmuiden 96, maar eventjes ben ik terug. “kijken Koos kijken”.
“Ik ben dit denkende voelende lichaam, dat zich beweegt in contrast tot al het andere”

Flitsen van inzicht, vertrouwen op mezelf, alleen mezelf en later, veel later geloven in liefde in mijn liefde. Ik ben een dankbaar zijn, “vleugjes van kennis midden in het verhaal van de chaos”.
Geloven in mezelf, dat heb ik geleerd aan mijn oom. paria in de familie, zuiplap, “te dom om voor de duivel te dansen”, Visser, lapzwans.
Vergeet het maar Ik geloof in wat ik zie, wat ik hoor en ook, in wat ik denk. Keihard, slim en onverzettelijk, pas later komt de liefde, mijn liefde. Helder in een dankbaar zijn. Met grote dank aan Piet!

Ik heb vragen, altijd maar vragen, mijn nieuwsgierigheid grijpt naar kennis voor het begrip.
“En zie er was licht”, “wat was er voor het licht?”, Donker?  “Maar dat is er toch pas als er licht is?” God?  Wat ze me vertellen klopt niet, Het is de zekerheid van luie mensen. ”Waarom is God een mens?” , Is God blind, hij kan toch voor het licht zien?.  Waarom, waaroe? “Hou je brutale mond”, “omdat ik het zeg”. “Als je blijft huilen, zal ik je een reden geven om te huilen:” Flits, Nu inzicht, onmacht. Hij weet net zo weinig als ik, speelt het toneelstuk van weten en vergeten.

En zie! Inzicht:
“Voorbij het zijn en niet zijn is er het kan zijn” of:
“Voorbij het licht en het niet licht is er het wellicht”

Al vlug beslis ik dat ooit, voor de tijd,  alles mogelijk was. Daaruit, daarin, daarmee ontstaat de wereld van –zo weet ik later- de 10000 dingen. 1 van die dingen dat ben ik. Flits, Nu, inzicht: Ik was ooit mogelijk, nu ben ik en omdat ik ben, ben ik straks dus weer niet. Ga dat maar eens aan je vader vertellen die wel in God geloofd.

Ik zit in de kerk en luister naar de preek, nou… ik hoor de preek (ik moet wel weten waar het over gaat) , tel de stenen in de muur en reken daar sommen mee. Mijn linker oog (het slechte) vangt een schittering, Licht klimt als een jakobsladder door het raam, stof zweeft danst vangt zonder gewicht, al schitterend mijn blik. Iets in mij fluistert “kijken Koos, kijken:” Flits, Nu inzicht: We dansen lichtjes in het licht, ons licht. Zo is het, niet meer en zeker ook niet minder. Ook binnen in mij werkt het zo: Licht schijnt op gedachten,  ik kan ze zien, maar hoef ze niet te grijpen. Ook ‘ik’ is een gedachte die dansend schittert in het licht
Van pure opwinding schurk ik heen en weer over de krakende kerkbank. Een ouderlijke knijp in mijn zij, brengt mij terug in bij het saaie zitten. Man wat zijn die mensen suf.

Nieuwjaarsdag 2017,  9:00u in de ochtend, ik ben alleen op het strand, nou ja… verderop doet een drietal hun eigen Nieuwjaars duik, zonder publiek en zonder Unox muts. Ik glimlach en geloof graag dat ze het doen voor hun ervaring, niet voor hun Facebook timeline.
Er heeft een stormzee huis gehouden, honderdduizenden zeesterren, strandgapers en eendenmosselen zijn losgeslagen van hun schuilplaatsen in het slib. Daarna ongemeten en ongezien door de zee op strand gekieperd. De vloedlijn als kerkhof van de zee. 2017 begint goed voor de meeuwen, hoe ze het elkaar vertellen weet ik niet, maar ik heb nog nooit zoveel meeuwen aan het strand gezien. Ze hebben het eten voor het opsnavelen en staan meest van de tijd stoned van het eten langs de vloedlijn uit te buiken. Rijen dik, honderden meters lang,  “Ze worden niet teruggefloten, ook niet neergeschoten”
De meeuwen vliegen voor mij op. De lucht donker van hun mopperend geflapper, het strand wit van hun uitgeworpen poep.
Mijn oog (het slechte) valt op een rustig, maar opvallende, beweging.  Een grote meeuw, springt bij mijn naderen, slechts op en val zweeft weer terug naar het zand. Licht als een veertje.  “kijken Koos, kijken”  Binnen de chaos van de meeuwen zwerm zie ik hier en daar deze beweeg structuur.. Flits,  Licht zonder geluid…. Laat de schrik gebeuren en zweef rustig terug.

’s Nachts droom ik dat ik boven water vlieg, dat – zoals vaak – de zeemonsters me willen vangen, Dit keer doe ik niks, maak me licht als een stofje in het licht, zweef vooruit hun drakenmond  de donker van het toekomst in.

Hij bestaat niet meer mijn Ome Piet, maar ergens in het hoekje van mijn slechte oog hoor ik hem lichtjes fluisteren: “kijken Koos, kijken”. Want er is Licht!

Koos Klein
kiesgroot@gmail.com